H430 אֱלֹהִים
Elohim, Godsnaam, goden, engelen
Taal: Hebreeuws

Onderwerpen

Elohim, Elohim (God), Godsnaam,

Statistieken

Komt 2621x voor in 35 Bijbelboeken.

Zie hier voor een verklaring van de gebruikte coderingen.

Woordstudie

'elohiym, zn. mv. van אֱלוֹהַּ H433 of van אֵל H410 (E. Klein, p. 29); TWOT - 93c

Maimonides ziet het als een homoniem (Moses Maimonides, Guide for the Perplexed). Lettinga en Waltke omschrijven het als een pluralis intensivus (J.P. Lettinga, §24.k; B.K. Waltke, §7.4.3.a). Terwijl Gesenius het ziet als een Pluralis excellentiae welke gelijk is als een pluralis maiestatis (Gesenius, Hebrew Grammar: 124g, zonder artikel 125f, met artikel 126e, in enkelvoud 145h, in meervoud 132h, 145i). Dit laatste wordt nog eens bevestigd in Genesis 1:26 waar we lezen "En toen zei God: laat ons maken de mens, naar ons beeld, naar ons evenbeeld..." en waar ook gebruik wordt gemaakt van een pluralis maiestatis (John C. Beckman, "Pluralis Majestatis: Biblical Hebrew", Encyclopedia of Hebrew Language and Linguistics (red. Geoffrey Khan), (2013), Vol. 3 p. 145-146). Het kan dan ook opgevat worden als 'de god' in absolute zin, zoals in Gen. 5:22 (K. v. Toorn, p. 353). Om die reden zien we dat in de LXX elohim enkelvoudig als ὁ θεός is vertaald.

Gesenius stelt dat Elohim "enkelvoud" onderscheiden moet worden van elohim "meervoudige goden" en merkt op dat: De veronderstelling dat elohim slechts een overblijfsel van eerdere polytheïstische opvattingen is (d.w.z. oorspronkelijk slechts een numerieke meervoud) wordt beschouwd, is in ieder geval zeer onwaarschijnlijk, en bovendien zou de analoge meervoudigheid (zie verder) niet verklaren. In dezelfde categorie (en waarschijnlijk gevormd naar analogie van elohim) behoort het meervoudige kadoshim, die "het Allerheiligste" betekent (alleen van JHWH, Hos. 12:1, Spr. 9:10, 30:3 - cf. אֱלֹהִ֥ים קְדֹשִׁ֖ים ’ĕlōhîm qəḏōšîm in Jozua 24:19 en het enkelvoudige Aramese "de Allerhoogste", Dan. 7:18, 22, 25) en waarschijnlijk teraphim (meestal in de zin van de penaten [=huisgoden]), het beeld van een god, die speciaal gebruikt wordt voor het verkrijgen van orakels. Zeker in 1 Samuël 19:13, 16 wordt slechts één afbeelding bedoeld; Op de meeste andere plaatsen kan een enkelvoudige afbeelding worden bedoeld; Alleen in Zacharia 10:2 כִּ֧י הַתְּרָפִ֣ים דִּבְּרוּ־אָ֗וֶן kî hatərāfîm dibərû-’āwen wordt het meest natuurlijk als een numerieke meervoudsvorm genomen.


1) Elohim, God (Deut. 7:25); 1a) אֵל אֱלֹהֵי יִשְׂרָאֵל H415 de God van Israël is God (Gen. 33:20); 2) afgoden (Ex. 22:20); 2a) de god X van… (1 Kon. 11:33); 2b)  פְּסִילֵ֥י אֱלֹהֵיהֶ֖ם gesneden beelden, huisgoden (Deut. 7:25); 2c) bovennatuurlijke wezens, demonen (1 Sam. 28:13); 3) de overheid, rechters (Ex. 21:6; 22:8, 9, 28)


Brown-Driver-Briggs Abridged Hebrew Lexicon

אֱלֹהִים 2570 n.m.pl 1 pl a rulers, judges, either as divine representatives at sacred places or as reflecting divine majesty and power b divine ones, superhuman beings including God and angels c angels d gods 2 pl. intensive a god or goddess b godlike one c works of God, or things belongng to him d God 3 הָאֱלֹהִים the (true) God 4 אֱלֹהִים = God

Strong Concise Dictionary Of The Words In The Hebrew Bible

H430 אֱלֹהִים ʼĕlôhîym; plural of 433; gods in the ordinary sense; but specifically used (in the plural thus, especially with the article) of the supreme God; occasionally applied by way of deference to magistrates; and sometimes as a superlative — angels, × exceeding, God (gods) (-dess, -ly), × (very) great, judges, × mighty.

Synoniemen en afgeleide woorden

Hebreeuws אֵל אֱלֹהֵי יִשְׂרָאֵל H415 "de God Israels [is] God , de God van Israel is God"; Hebreeuws אֱלוֹהַּ H433 "god(en), god, goden, God"; Hebreeuws יְהֹוִה H3069 "JHWH, HEERE";

Literatuur


Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!


Mede mogelijk dankzij

Livius Onderwijs