Philipp Trostianetzky

Zie ook: Beeldbank, Lijst Messiasbelijdende Joden, Messiasbelijdende Joden,

Philipp Trostianetzky (3 april 1890 – 13 september 1979) was een Messiasbelijdende Jood.

Inhoud

Levensbeschrijving

Het begin van zijn levensloop en de voorbereiding op het zendingswerk

Philipp Trostianetzky werd in de plaats Trostianetz in de buurt van Charkov (Oekraïne) op 3 april 1890 geboren uit vrome Joodse ouders. Al op 18 jarige leeftijd was hij een vurig zionist. Een tot Jeshua heimelijk bekeerde vriend wist Trostianetzky over te halen om een samenkomst van een christelijke gemeente te bezoeken met de bedoeling zijn belangstelling voor het evangelie te wekken. Niet als gevolg van deze samenkomst, maar na het lezen van een traktaat, getiteld: “Van wien spreekt de profeet in Jesaja 53?”, ging bij Trostianetzky het volle licht op. Op Hemelvaartsdag in 1908 hoorde hij voor het eerst over de Messias Jeshua en op 5 december 1908 liet hij zich op achttienjarige leeftijd door de zendeling Rosenberg dopen. Rosenberg werkte voor het Engelse zendingsgenootschap “Mildmay Missian to the Jews” in Odessa. In 1912 zond dit genootschap Trostianetzky naar Berlijn om daar op de “Bijbelschool voor in- en uitwendige zending” onder de directie van pastor Koehler kennis op te doen voor het zendingswerk. Trostianetzky voltooide de driejarige cursus in twee jaar en werd begin 1924 als zendeling onder Israël aangesteld.

De periode vóór vestiging in Nederland

In 1915 was Trostianetzky getrouwd met een in het geheim gedoopte Jodin, Lidia Schneidermann, geboren op 25 maart 1891 te Trostianetz (Oekraïne). Zij besloten op uitnodiging van de ouders van zijn vrouw naar de V.S. te gaan. Daarvoor hadden zij een door een notaris in de V.S. gecertificeerde verklaring nodig om een visum aan te vragen voor de V.S. Hun hoop werd echter de bodem ingeslagen door de autoriteiten, omdat zij niet vielen “in de termen voor toegang tot de V.S.”. Zij moesten naar het Amerikaanse Consulaat in Constantinopel. In Constantinopel maakten zij kennis met de directeur van de Duitse Bijbelschool die “toevallig” in Constantinopel was en hen naar Duitsland uitnodigde. Als Russische vluchtelingen konden de Turkse autoriteiten hen een pas verlenen en daarop kon zowel de Duitse als de Nederlandse consul een visum verlenen. Nadat zij toestemming van de Duitse consul hadden verkregen, vertrok het echtpaar naar Duitsland. In Berlijn werkte een zendeling onder de Joden, de heer Weinhausen, die zich over hen ontfermde. Na een verblijf in Berlijn, waar Trostianetzky tijdelijk zendingsarbeid verrichtte vanwege de “Hebrew Christian Testimony to Israel”, zette het echtpaar Trostianetzky de reis voort naar Nederland.

De periode na vestiging in Nederland tot 1945

Het is 1925 en via Amsterdam komt het echtpaar Trostianetzky in Rotterdam om zich daar te vestigen. Elim had eerder over Trostianetzky vernomen, toen hij in Duitsland als zendeling werkte. Via deze contacten kwam een persoonlijke kennismaking met het echtpaar Trostianetzky tot stand en kort daarna werd Trostianetzky uitgenodigd om bij Elim als zendeling onder Israël te werken. Deze uitnodiging werd dankbaar aanvaard. Na een verblijf van drie maanden in Nederland had hij al een redelijke kennis van de Nederlandse taal en begon hij voordrachten in zogenoemde “huisbijeenkomsten” te houden voor de uit Oost-Europa gevluchte Joden. Al spoedig begon Trostianetzky volledig in Elim te functioneren.

In 1932 besloot Elim haar activiteiten uit te breiden naar Antwerpen, waar veel Joden woonden. Trostianetzky en zijn vrouw verhuisden naar Antwerpen. Een kerkgebouw werd ter beschikking gesteld voor Elim. Na een periode vruchtbaar gewerkt te hebben, besloot Elim in 1938 om diverse redenen haar activiteiten in Antwerpen te staken, zodat Trostianetzky naar Rotterdam terugkeerde en samen met S.P. Tabaksblatt, die reeds bij Elim werkzaam was, het werk van Elim voortzette.

In 1938 kwam de oorlogsdreiging vanuit Duitsland dichterbij en in mei 1940 werd Nederland door Duitsland bezet. In 1943 werden Trostianetzky en Tabaksblatt met hun gezinnen in Rotterdam gearresteerd en naar Westerbork overgebracht, waarna zij samen met een groep van zeshonderd protestantse Joden naar Theresienstadt werden gedeporteerd. Dankzij het feit dat ze tot deze groep behoorden, heeft het grootste deel van hen het overleefd. In 1945 zijn zij door de geallieerden bevrijd en keerden naar Nederland terug.

De periode na 1945 tot en met 1979 (overlijden)

Trostianetzky is vijfenvijftig wanneer hij weer in Nederland woont, maar er breekt voor hem een moeilijke tijd aan wat zijn gezondheid betreft, terwijl de oorlog ook zijn sporen heeft nagelaten. Daarbij kwam dat hij veranderd was van een mild en vriendelijk man in iemand die stug en achterdochtig was geworden. Hij hield lezingen, gaf Hebreeuwse les en voorzag in het levensonderhoud van zichzelf en zijn vrouw door giften. Dat was bepaald geen gemakkelijke tijd. Hij krijgt suikerziekte en als gevolg daarvan wordt zijn gezichtsvermogen steeds slechter totdat hij blind wordt. Ook verliest hij een been als gevolg van de suikerziekte. Dat betekent het einde van zijn geliefde bezigheden: zijn boeken en zijn wandelingen. Tot overmaat van ramp overlijdt in deze periode zijn vrouw. Dit verlies komt hij nauwelijks te boven.

De moord op de Israëlische Olympische atleten in München in 1972 en het voorstel van destijds minister A.A.M. van Agt om de “Drie van Breda” vrij te laten, waren voor hem schokkende gebeurtenissen. Benja Maton-van Gelderen (dochter van Jacob van Gelderen, een vriend van Trostianetzky) herinnert zich dat er tussen de suikerziekte en deze gebeurtenissen een verband bestond.

Trostianetzky was dankbaar dat hij in Nederland in vrijheid kon leven en hij was Oranjegezind. Het zat hem weliswaar hoog dat wijlen Koningin Juliana pleitte voor de vrijlating van de “Drie van Breda”.

Zijn laatste levensjaren waren het moeilijkst, niet alleen vanwege de verder achteruitgaande slechte gezondheid, maar ook door de voortdurende pijn en de steeds terugkerende traumatische oorlogs- en concentratiekampherinneringen. Alles bij elkaar verlangde Trostianetzky naar het einde van zijn leven. Hij wilde “ontbonden en met Christus zijn”. In een brief van de zoon van A. Zalman-Marda, Jan Zalman aan Trostianetzky van 14 september 1979, haalt deze zijn woorden aan en schrijft: “Onze vrind Jacob van Gelderen vertelde mij, dat uw lichamelijke toestand verergerd is en dat u veel pijn lijdt. Ik ben erg met U begaan en heb U in het gebed voor onzen Heer gebracht tot verlichting van uw pijnen. U hebt al langen tijd verlangd om ontbonden te zijn en met Christus. In Zijn wijze Raad heeft Hij U lange tijd in dit moeilijke leven laten bestaan, waarvoor Hij zeker Zijn wijze bedoeling heeft, die U later zult verstaan en U er zich over zult verwonderen”. (brief als bron)

Trostianetzky’s laatste woorden waren “Doe dat licht uit”. Hij overlijdt op 13 september 1979. (overlijdensadvertentie, september 1979).

Zijn dienst als zendeling

Trostianetzky vatte zijn zendingsdienst op als een persoonlijke opdracht van zijn Heer en nam een voorbeeld aan Jesaja. In Jesaja 6:8 staat: “Wie zal ik zenden?“ en “Wie zal voor Ons henengaan?”. Toen zeide ik: “Zie, hier ben ik, zend mij henen”. Zoals bij Jesaja, die in een zondige staat de stem van God hoorde en eerst tot vergeving van zonde en bekering kwam voordat hij zijn dienst als profeet aanving, zo meende Trostianetzky dat hij eerst zijn zonde moest belijden en verzoening moest vragen aan God, voordat hij de zending in Rotterdam kon beginnen.
Trostianetzky legde een verband tussen het vertrek van Abraham uit Ur der Chaldeeën (Mesopotamië) en zijn eigen vertrek uit de Oekraïne, niet wetende waar hij komen zou. 

“Ga uit uw land en uit uw maagschap en uit uw vaders huis naar het land dat IK u wijzen zal”. (Elimbode, januari 1926 Vol. 93 p. 3, Gen. 12:1)

Over zijn Rotterdamse bestemming zei Trostianetzky het volgende: ”Het ontbreekt mij aan woorden om uit te drukken, wat ik gevoel onder de zichtbare ervaring, dat de Heere God mij hier geroepen heeft, om mijne broederen de boodschap van Zijnentwege te brengen” (a.w. p. 4).

Aan de zending van iedere gezondene gaat een persoonlijke opdracht van de Zender vooraf, zoals we hierboven hebben gezien. In zijn toespraak tijdens het eerste Jodenzendingsfeest op 14 augustus 1930 bespreekt Trostianetzky dit onderwerp (“De beteekenis der zending onder Israël”). Hij citeert Jeshua die gezegd heeft: “Gij zult mijn getuigen zijn zoo te Jeruzalem, als in geheel Judea, Samaria en tot aan het uiterste der aarde” (a.w. p. 48). Aan dit goddelijke bevel zijn echter drie voorwaarden verbonden die Trostianetzky noemt. In de eerste plaats moet de gezondene worden ”aangedaan met de kracht des Heiligen Geestes” (a.w. p. 48). Ten tweede geldt de voorwaarde “gehoorzaamheid, volledige overgave aan God en niet geleerdheid”. De derde voorwaarde is het “Acht geven op Christus’ aanwijzingen”. De goddelijke verordening zegt: “beginnende te Jeruzalem. Eerst den Jood en ook de Griek” (a.w. p. 49).

De goddelijke verordening

Deze goddelijke verordening hebben de Elimzendelingen altijd gevolgd, daarin de zendingsboodschap van Paulus navolgend, die altijd eerst op zijn zendingsreizen de synagogen bezocht, voordat hij zich tot de heidenen wendde.

Zoals Paulus in zijn dagen ernstige beschuldigingen van afvalligheid en verraad maar ook fysieke aanvallen van de Joden heeft ondergaan en zijn leven met de dood heeft moeten bekopen, beschrijft Trostianetzky in de Elimbode van juli 1928 (Vol. 103, p. 4) één van zijn persoonlijke ervaringen. Daarover zegt Trostianetzky, toen één van de toehoorders in woede ontstak en hem uitschold: “Natuurlijk gold zijn woede nog meer mijn persoon dan mijn woord”. Hij schold mij een afvallige, een overtreeder, ja den gelijke van Koning Jerobeam, die zelf zondigde en Israël zondigen deed. Ik had het geloof mijner vaderen verlaten en verleidde nu ook andere Joden en trachtte hen over te halen tot den gruwel van zich te laten “schmadden”(doopen)”.“ Gewoonlijk is zwijgen het eenige wapen, dat tegen zulk een stroom van woorden gebruikt kan worden”.

Zijn verhouding tot het Jodendom

In een toespraak over Johannes 11:40, waarin hij de zieke Lazarus met het volk Israël vergelijkt, zegt Trostianetzky: “Het gansche hoofd is krank en het gansche hart is mat. Van de voetzool af tot het hoofd toe is er niets geheels aan hetzelve; maar wonden en striemen en etterbuilen, die niet uitgedrukt, noch verbonden zijn, en geen derzelve is met olie verzacht” (Elimbode april 1926 Vol. 94).

Trostianetzky wijst er telkens op dat het Jodendom van God is afgevallen. Weliswaar onderhoudt het de geboden en wetten naar de letter, maar niet naar de geest in geloof in de God van Israël. Trostianetzky zegt in een artikel: “Vrienden Israëls, als er één volk op aarde is, waarmede wij medelijden moeten hebben, dan is het het Joodsche volk. Als er één volk op aarde is, waarvoor we onze gebeden tot God moeten opzenden, dan zijn het de Joden. Als er één volk op aarde is, waaronder we het Evangelie van Christus moeten verkondigen, dan zijn het de Joden. Laten we om het heil van dit volk smeeken, dat zeker komen zal door de beloften van Hem, die het straks zal doen ontwaken” (Het ontwaken van het Joodsche Volk, p. 61). De kernwoorden in Trostianetzky’s betoog zijn: medelijden, gebedslast en Woordverkondiging. Zijn verhouding tot het Joodse volk kan worden gekarakteriseerd als een grote bewogenheid en liefde voor zijn volk tot behoud van gans Israël, zijn volharding om dat doel te willen bereiken ondanks alle moeilijkheden en zijn vaste overtuiging dat uiteindelijk gans Israël tot geloof in Messias Jeshua zal komen.

Hoe Trostianetzky dacht over de religieuze gebruiken die in de synagoge worden gepraktiseerd kan met het volgende worden geïllustreerd. In een artikel in de Elimbode van januari 1926 (Vol. 93 p. 2), uit Trostianetzky zijn bewondering voor een gebed dat op Yom Kippoer (Grote Verzoendag) in de synagoge wordt uitgesproken. Hij zegt: ”Hij die dat gebed gemaakt heeft was niet verre van het Koninkrijk Gods. Het is in verzen geschreven en gedeeltelijk een aanhaling uit Jesaja 53. Dat hoofdstuk wordt nooit in de synagoge gelezen, maar in dit gebed komen enige strofen daaruit voor en wordt de Lijdende Knecht des Heren, de Messias, dezelfde genoemd, van wien Zacharia zegt, dat Zijne voeten zullen staan op den Olijfberg, als Hij zal wederkomen”.

De verhouding Kerk-Jodendom

Trostianetzky heeft in diverse toespraken over de verhouding tussen de Kerk en de Joden erop gewezen dat de Kerk haar plicht om de Joden tot jaloersheid te verwekken, heeft verzaakt. Deze opdracht van Paulus staat bovenaan evenals zijn opdracht om Jeshua “eerst aan de Jood en ook aan de Griek” (Rom. 1:16) te prediken. Jeshua had immers zelf deze opdracht aan zijn discipelen gegeven. De Kerk heeft gefaald in beide opdrachten, stelt Trostianetzky.

Volgens Trostianetzky is de eerste vorm van wat wij ”antisemitisme” noemen in de Kerk ontstaan. Hij zegt ”De Bijbel leert dat er geen onderscheid is, noch van Jood noch van Griek in Christus. God maakt dus geen onderscheid. De Kerk van Christus heeft wel onderscheid gemaakt. Zij heeft vaak gezegd: “Met den Jood is niets te beginnen. Hij is verhard. Het is uit met Israël”. Of kan de Kerk van Christus zeggen, dat ze in haar gebed en in haar werk geen onderscheid gemaakt heeft? De grote verantwoordelijkheid voor de gevolgen van dit onderscheid ligt tot nog toe voor de deur van de Kerk” (Toespraak op 14 augustus 1930 in De beteekenis der zending onder Israël, p. 47).

Geloofshouding t.a.v. de Joden vanuit het Evangelie

Vanaf het moment dat Trostianetzky tot het geloof in Jeshua Messias kwam, gevoelde hij de innerlijke drang om van zijn geloofsovertuiging aan zijn geloofsgenoten te getuigen. Daartoe moest de nog jonge Trostianetzky door God geroepen worden, zoals we hierboven hebben gezien.

Zijn geloofshouding heeft Trostianetzky in diverse toespraken en geschriften neergelegd. Hij zegt: “Wij kunnen de Joden niet bekeeren, God moet het doen. Dat doet Hij ook door middel van het zendingswerk en Hij alleen zal het ook verder doen. Wat wij echter op grond van Gods bevel moeten, ja mogen doen is: profeteren; het Evangelie van Christus als de kracht Gods tot zaligheid een iegelijk die gelooft, eerst den Jood, en ook den Griek, verkondigen” (Rom. 1:16). Hij vervolgt: “Israël moet de wil van God bekend maken; het oude volk wijzen op de beloften Gods die in Christus, de Messias vervuld zijn, op de verzoening met God, de vergeving van zonden, den vrede en zaligheid die door het geloof in Christus te vinden zijn”. (Het ontwaken van het Joodsche volk, p. 62).

In verband met het bovenstaande staat in Romeinen 11:15: “Want indien hun verwerping de verzoening der wereld is, wat zal hun aanneming anders wezen dan leven uit de doden”? Na het fysieke, nationaal herstel (Ezech. 37:7-9) dat met de stichting van de Staat Israël in 1948 plaatsvond, volgt het geestelijke herstel van “het gansche Huis Israëls” (Ezech. 37:14, Zach. 12:10-14).

Wat betreft de verkondiging van het Evangelie aan de Joden zegt Trostianetzky: “Laten we het Evangelie van Christus verkondigen aan de dorre doodsbeenderen, Hij zal dan Zijn reddingsliefde en levenskracht aan hen openbaren. “Laten we onvermoeid getuigen van zijn Zoon, dien Hij op Golgotha als offerande heeft gegeven, in den dood heeft gegeven, opdat zij, die dood zijn in zonden en misdaden, zouden leven, opdat alle dorre doodsbeenderen, die hun leven in Christus zoeken, door de vallei des doods zouden worden heengeleid naar het Jeruzalem omhoog.” (a.w. p. 64).

Geloofshouding t.a.v. de Joden vanuit Ezechiel 37

Het Joodse volk wordt in Ezechiël 37 voorgesteld als een verzameling van “vele dorre doodsbeenderen” in een vallei. De profeet moest van God er omheen lopen. God zei: “Deze beenderen zijn het gehele huis Israëls”. De profeet werd de vraag gesteld of deze beenderen herleven konden en de profeet antwoordt: “Here, Here, Gij weet het”, waarop het antwoord kwam: “Profeteer over deze beenderen en zeg tot hen: “Gij dorre beenderen, hoort het Woord des Heren. Zo spreekt de Here Here tot deze beenderen: “Zie ik breng geest in u, en gij zult herleven; ik zal spieren op u leggen, vlees op u doen komen, u met een huid overtrekken en geest in u brengen, zodat gij herleeft. En gij zult weten dat ik de Here ben”.

Uit bovenstaande beschrijving trekt Trostianetzky drie gevolgtrekkingen:

  1. ”Den droevigen toestand van het Joodsche volk in de loop der eeuwen”
  2. ”Het Goddelijk bevel ten aanzien van Israëls ontwaken”
  3. ”Het heerlijke gevolg”

Ad 1. ”Als dorre doodsbeenderen zijn de Joden op de geheele aarde verspreid en geven geen andere blijk van bestaan dan te zijn en te blijven zoals zij zonder het licht van Zijn Woord, zonder het geloof in Zijn Zoon, zonder de zaligheid in de verlossing”. Wel schijnt de Zon der gerechtigheid, maar het volk laat zich door haar stralen niet verwarmen, wil van den glans harer heerlijkheid niet genieten, ligt begraven onder een berg van menschelijke overleveringen” (Het ontwaken van het Joodsche volk, p. 60. In hetzelfde hoofdstuk beschrijft hij een aantal voorbeelden van deze menschelijke overleveringen).

Ad 2. Er gloort hoop in de woorden die de profeet daarna uitspreekt op de vraag van God of deze dorre beenderen herleven konden: “Gij weet het”. De profeet zegt niet: “Dat is een onmogelijkheid”. Maar als God geen leven in deze beenderen zou geven, dan was het zeker dat ze niet zouden herleven. “De Geest van God zal dit tot stand brengen, hoe hopeloos de toestand van Israël moge schijnen, wij behoeven niet te wanhopen” (Het ontwaken van het Joodsche volk, p.61-62).

Ad 3. De uitwerking van deze profetie was “zodra ik profeteerde ontstond er een geruis en zie, een beweging en de beenderen voegden zich aaneen zoals zij bij elkander behoorden; ik zag en zie, er kwamen spieren op, en vlees, en er trok een huid overheen; maar geest was er nog niet in hen” (Ezech. 37:7-9). Trostianetzky merkt op dat deze profetie “groote bemoediging geeft voor den arbeid onder Gods oude volk” en “We mogen niet wanhopen, onder welke moeilijke omstandigheden ook”. “En als menschen soms zeggen: “Het kan niet meer”, God zegt: “Het kan wel”. “Bij Hem is geen ding onmogelijk”. Israël zegt: “Wij zijn verdord, wij zijn verloren, wij zijn afgesneden”. God zegt: “Ik zal u doen uitbotten, Ik zal u behouden, Ik zal u weder inenten” (Het ontwaken van het Joodsche volk, p. 63).

De werking van de H. Geest vanuit Ezechiel 37 t.a.v. de Joden

Het is Gods Geest, de Heilige Geest, die bewerkte dat de dorre doodsbeenderen konden bewegen en zich een Godswonder aan het voltrekken was. Vanuit menselijk standpunt gezien, zou het dwaasheid zijn om tegen dorre doodsbeenderen te spreken. Maar omdat de profeet Ezechiël (= God zal sterkte geven) met volmacht sprak en het bevel van God gehoorzaamde, verleende God aan zijn woorden (scheppings-)kracht waardoor de dorre doodsbeenderen herleefden (a.w. p. 62). “Niet door kracht of door geweld, maar door Mijn Geest zal het geschieden” (Zach. 4:6).

Het contact met zijn gehoor en zijn geloofshouding ten aanzien van de bijbel

Het contact met zijn gehoor tijdens de straatprediking verliep spontaan en was direct. Trostianetzky ging rechtstreeks in op opmerkingen en vragen vanuit het publiek. Hij was geïnteresseerd in zijn gehoor hetgeen blijkt uit de vele persoonlijke ontmoetingen. Het kwam dikwijls voor dat Trostianetzky later bij de geïnteresseerde Joden op huisbezoek ging om verder te praten. Trostianetzky baseerde zich altijd op de Bijbel, Wet en Profeten, en legde aan de hand van teksten uit het Oude Testament de profetische betekenis van Jeshua voor Israël uit. De Joden waren verwonderd over zijn parate Bijbelkennis, die voortkwam uit zijn studie van de grondtalen van de Bijbel. Vaak werd hij uitgescholden, gelasterd en van verraad aan het Joodse volk beschuldigd, wat hij niet beantwoordde met “menselijke taal”, maar zo dat hij zich altijd op de Bijbel beriep “dat deze dingen alzo waren”.

Typeringen van Trostianetzky t.a.v. de houding van de Joden tegenover Jeshua Messias

De verhouding van de Joden tegenover de zending onder de Joden kenschetst Trostianetzky in drie kernachtige typeringen.

Ten eerste: “de angst van vele Joden voor het Kruis”. Zij vluchten daarvoor weg in plaats van daarvoor te knielen, omdat het Kruis hun zonden vergeeft, hen geneest en behoudt. Het Kruis zet hen van de duisternis (de verloren toestand) in het Licht van Jeshua (het eeuwige Leven). Trostianetzky vergelijkt de worsteling van Jacob en de engel Gods (Gen. 32:22-32) met die van het volk Israël. Hij hield de Joden voor dat zij niet tegen de zending strijden, maar tegen de Zender. Hij verwees naar de Talmoed die zegt: “De kinderen erven de geschiedenis der Vaderen”. “Wij hebben een herhaling der geschiedenis van vader Jacob onder de kinderen Israëls” (De beteekenis der zending onder Israël, p. 51).

Ten tweede: “Het blijven staan bij het Kruis”. De belangstelling voor Jeshua werd gevoed naar aanleiding van een in zijn tijd verschenen boek van Dr. Jozef Klausner “Jezus van Nazareth”, waarin vele aanhalingen uit het Nieuwe Testament staan. “De Joden zijn genoodzaakt deze te lezen en daarover na te denken”. In zijn tijd was er onder meer in Roemenië onder de Joden veel belangstelling voor Jeshua. Men verdrong zich zelfs bij evangeliebijeenkomsten om de beschikbare traktaten en lectuur te bemachtigen.

Ten derde: “Het is niet genoeg te blijven stilstaan bij het Kruis, zij moeten buigen onder het Kruis. Ook dit gebeurt. Velen hebben hun zonde en ellende in het licht van Golgotha gezien. Zij hebben Jezus als hun persoonlijke Heiland en Zaligmaker aanvaard. Zij zijn behouden door het offer van Christus. Dit zal nog met geheel Israël geschieden” (Rom. 11:26). (De beteekenis der zending onder Israël, p. 53-54).

Uit het vorenstaande blijkt dat in Nederland evenals daarbuiten een kentering in de verhouding van de Joden tot de zending heeft plaatsgevonden. Dat heeft ertoe geleid dat “duizenden Joden die onder het Kruis hebben leren buigen voor Jezus, getuigenis van hun geloof afleggen” (De beteekenis der zending onder Israël, p. 53-54).

Trostianetzky en de Staat Israël

Het is in WO I en in het interbellum tijdperk, waarin Trostianetzky de zending is ingegaan, dat op het wereldtoneel de grote mogendheden zich bezighielden met het “Joodsche Vraagstuk”, waarvan het gebied Palestina, het vroegere woongebied van het Joodse volk, deel heeft uitgemaakt. Het moet voor onwaarschijnlijk worden gehouden dat Trostianetzky zich niet geïnteresseerd zou hebben voor deze zaak, temeer daar in november 1917 de Balfour Declaration het licht zag en de basis legde voor de stichting van de Staat Israël. In de analen van Elim over Trostianetzky hebben wij geen aanhaling of verwijzing naar deze belangrijke gebeurtenis in de geschiedenis van het ontstaan van de staat Israël kunnen vinden. In geestelijk opzicht heeft Trostianetzky zich in zijn artikelen en toespraken wel meerdere keren uitgelaten over de toekomst van Israël, zoals hierboven uiteengezet is (Trostianetzky spreekt daarover in ‘Het ontwaken van het Joodsche volk’, p. 61-62; zie ook hierboven onder het kopje ‘Geloofshouding t.a.v. de Joden vanuit Ezechiël 37’) .

Joodse invloeden en Joodse identiteit bij Trostianetzky

Geboren zijn in een orthodox Joods gezin en opgevoed volgens de regels en gebruiken van het orthodoxe geloof, betekent dat de Joodse identiteit een realiteit is. Toen Trostianetzky op jeugdige leeftijd in aanraking kwam met het Evangelie (zie zijn levensbeschrijving, hij was al jong een vurig zionist), werd zijn leven veranderd. Nu hij Jeshua de Messias had gevonden, wilde hij zijn geloofsgenoten uitsluitend nog de boodschap tot hun heil en behoud brengen. Hij zegt: “Wij moeten het oude volk wijzen op de beloften van God die in de Messias vervuld zijn, op de verzoening met God, de vergeving van zonden, van Gods Zoon die Hij op Golgotha als offerande heeft gegeven in den dood, opdat zij die dood zijn in zonden en misdaden, zullen leven. “Opdat alle dorre doodsbeenderen die hun leven in Christus zoeken door de vallei des doods worden geleid naar het Jeruzalem omhoog” (Het ontwaaken van het Joodsche volk, p. 63-64).

Trostianetzky had een grote liefde en diepe bewogenheid voor zijn volk. Dit spreekt vanzelf voor iemand die zelf door de liefde van Jeshua is getrokken en besloot zijn leven in dienst van zijn “Zender” te stellen om het Evangelie aan zijn volk te brengen. De gesprekken met individuele Joden zijn talloos evenals de huisbezoeken. Trostianetzky’s brede kennis van het Joodse geloof had grote invloed op zijn dienst als zendeling. De Bijbelse (Joodse) feesten en de sabbat waren een voorbeeld en inspiratie voor Trostianetzky om daarover tijdens predikingen en in artikelen te spreken.

Enige markante typeringen van Trostianetzky’s evangelisatiewerk

  1. De predikingen werden vaak verstoord door scheldwoorden en beschuldigingen van Joden tegen Trostianetzky. Hij antwoordde niet op “menselijke wijze”, maar altijd op de Bijbelse manier: “Geen aandacht aan besteden of reactie geven”.
  2. Trostianetzky werd vaak van afvalligheid en verraad aan zijn volk beschuldigd. Hij zei “Niet ik ben een afvallige, maar jullie zijn afvalligen, want ik heb de Messias Jeshua gevonden. Jullie hebben Mozes en de Profeten niet geloofd, die vele malen voorzegd hebben dat de Messias zou komen. Jullie zijn je eigen weg gegaan ondanks de vele waarschuwingen van de profeten om terug te keren naar God en toen de Messias kwam hebben jullie Hem niet herkend”.
  3. Trostianetzky sprak in zijn predikingen en artikelen niet over de gebeurtenissen in de Oekraïne, waaruit de meeste Joden gevlucht waren. Hij wees hen daarentegen op hun toekomst in letterlijke en geestelijke zin.
  4. Trostianetzky hekelde de Kerk voor haar falen inzake de Bijbelse opdrachten om “de jaloersheid van Israël op te wekken” en “het Evangelie eerst aan de Jood en ook aan de Griek te brengen”. Trostianetzky wijst op de niet door de Kerk op zich genomen verantwoordelijkheid ten opzichte van het Joodse volk.
  5. Zoals uit Ezechiël 37, op de vraag of deze dorre doodsbeenderen kunnen herleven, blijkt, staat de mens machteloos, heeft geen antwoord op deze vraag. Maar voor God is de vraag stellen deze beantwoorden. Als God deze beenderen niet kon doen herleven, zou HIJ de vraag niet gesteld hebben. Anders gezegd: Bij God is ALLES mogelijk of “wat bij mensen onmogelijk is, is bij God mogelijk”. (Luk. 18:27)

Siegfried Stranders


Bibliografie


Externe link(s)


Dit artikel is geschreven onder verantwoordelijkheid van de Studiegroep Messiasbelijdende Joden van het Centrum voor Israëlstudies in Ede.

Aangemaakt 29 juni 2018, laatst bijgewerkt 20 maart 2019


Koop nu

Commentaar

Zie de huisregels welk commentaar wordt opgenomen!