Hooglied

You are currently browsing articles tagged Hooglied.

Nardus

Zolang de Koning aan Zijn ronde tafel zit, verspreidt mijn nardus zijn geur.

Hooglied 1:12

De eerste plant die bij name wordt genoemd in Hooglied is het narduskruid in de vorm van een parfumerie. Het meisje is aan het woord en mag in het paleis bij de koning aanwezig zijn en omdat ze geparfumeerd is met nardusolie verspreid deze geur de ruimte.

Nardus is een olie welke gemaakt wordt uit de wortels en stengels van het narduskruid (Nardostachys grandiflora). De plant behoort net als de rode valeriaan tot de familie Valerianaceae en wordt om de gelijkenis met de rode valeriaan (Centranthus ruber) ook wel “valse valeriaan” genoemd. Van oorsprong komt de plant uit het Himalaya-gebied en werd sinds heugenis al gebruikt. Het was een zeer gewild en kostbaar parfum die alleen voor priesters, koningen en andere rijken bestemd was. In het antieke Egypte is het terug gevonden als grafgift van farao Tut-ank-Amon. De Feniciërs brachten het verder in de handel en later genoot de plant grote bekendheid bij de Romeinen die het gebruikten voor de bereiding van de aromatische olie Nardinum. In het Nieuwe Testament lezen we dat Maria, de zuster van Lazarus en Martha, de voeten van Jezus zalft met nardus. We zien hier ook een verwijzing hoe duur nardus is, de albasten fles vertegenwoordige namelijk een waarde van 300 penningen (Mark. 14:5) wat omgerekend ruim € 15.000,– was. De bereiding van de olie is vrij eenvoudig en wordt door middel van stoomdistillatie gewonnen uit de wortelstokken en stengels, waarna de olie lichtgeel tot amberkleurig is. Daarnaast blijkt ook hoe aromatisch de olie was want in Johannes lezen we dat het huis werd vervuld met de geur van de zalf (Joh. 12:3), een zware zoetige geur die iets weg heeft van de reeds genoemde valeriaan.

Terugkomend op onze dame uit Hooglied. Omdat het nogal warm is in het Midden-Oosten, gebruikte men vroeger allerlei parfumerie om de vieze lucht van zweet te verdoezelen. Zo liet de Egyptische Nefertite, de vrouw van farao Echnaton (1350 v.C.) haar gasten een zalfkegel op hun hoofd of borst dragen, gevuld met een mengsel van mirre-hars en andere geurende kruiden. Door de lichaamswarmte druppelde deze dan langzaam over de lichamen, waardoor de gasten heerlijk roken. Onze dame in Hooglied had blijkbaar een soortgelijke zalfkegel maar dan gevuld met Nardus, welke een heerlijke geur verspreid.

Tags: , ,

Nu mijn koning op zijn rustbed ligt,
geurt mijn nardus zoet.

Hooglied 1:12 (HSV)

Een passage die in de diverse vertalingen verschillend wordt weergegeven. De vraag die de vertalers zich stellen is nl. waar bevind de koning zich, op zijn rustbed of aan een tafel. Het Hebreeuwse mēsab kon nl. zowel “een ronde (banket) tafel” als een “divan met kussens” betekenen. Om tot een keuze te komen zal men dus goed de tekst moeten lezen. De oudere vertalingen hebben meestal een tafel en baseren zich op de gewoonte dat belangrijke mensen vroeger (en dan vooral in de tijd van de statenvertalers) belangrijke zaken bespraken aan een tafel. Maar waarom willen de moderne vertalers het woord dan vertalen met rustbed. Is het omdat ze perse iets anders hier neer willen zetten of lag de koning inderdaad te rusten.

In dat geval is het wel vreemd dat onze dame al aan het begin van Hooglied zich zomaar mocht begeven in deze slaapkamer. Nu wil het geval dat men vroeger op bedden bij de bankettafel lag, denk aan het Nieuwe Testament waar wordt vermeld dat Jezus met zijn discipelen lagen bij het laatste Avondmaal. Het moge duidelijk zijn dat ze niet met zijn allen gezamenlijk in bed lagen. Zo moeten we ook deze passage in Hooglied lezen, de koning lag met zijn raadslieden op bedden aan een bankettafel en de dame in kwestie mocht van een afstandje toekijken wat een hele eer was.

Omdat het nogal warm is in het Midden-Oosten, gebruikte men allerlei parfumerie om de vieze lucht van zweet te verdoezelen. Zo liet de Egyptische Nefertite, de vrouw van farao Echnaton (1350 v.C.) haar gasten een zalfkegel op hun hoofd of borst dragen, gevuld met een mengsel van mirre-hars en andere geurende kruiden. Door de lichaamswarmte druppelde deze over de lichamen, waardoor de gasten heerlijk roken. Onze dame in Hooglied had blijkbaar een soortgelijke zalfkegel maar dan gevuld met Nardus, welke een heerlijke geur verspreid.

Tags: ,

O, bewoonster van de tuinen,
metgezellen slaan acht op uw stem,
laat Mij die horen!

Hooglied 8:13 (HSV)

Aan het einde van Hooglied wordt een oproep gedaan die we ook al aan het begin in Hooglied 2:14 hebben gelezen “… laat Mij uw stem horen. Want uw stem is zoet …”. Op zich is dit niet zo’n vreemde tekst, want waarom zou je niet willen luisteren naar iemands gezang? Ik zou dit vers dan ook niet behandeld hebben, ware het niet dat pas geleden over dit vers nogal wat commotie over is ontstaan en zelfs de diverse media kwam. Het geval wil nl. dat tijdens een bijeenkomst van het Israëlische leger een vrouwelijke soldaat een lied zong en direct stonden een aantal mannelijke soldaten op. Ondanks bevel van hun officieren weigerden ze op basis van deze teksten terug te komen.

Het bleek dat de soldaten behoorden tot een bepaalde orthodoxe groepering die stellen dat het verboden is om te luisteren naar de kol ishah “de stem van een vrouw”. De Hebreeuwse uitdrukking kol b’ishah erva kan volgens hen vertaald worden met “de stem van een vrouw is als naaktheid”, of als “de stem van een vrouw is als haar vagina” (Brachot 24a). En dat kan natuurlijk niet, dus mogen ze er niet naar luisteren want het zou verkeerde gevoelens kunnen opwekken. Iedereen die het gehele boek leest zal tot de conclusie komen dat deze frase geheel uit zijn verband is gerukt en dat het in het geheel niet verboden is om te luisteren naar de stem van een vrouw en zeker niet als het ook nog eens (zoals we in Hoogl. 8:13 kunnen lezen) je eigen vrouw is. Het is dan ook een kleine groepering binnen de orthodoxe Joden die van deze mening zijn toegedaan.

Tags: ,

Salomo had een wijngaard in Baäl-Hamon
Hij gaf die aan pachters
die voor het vruchtgebruik
duizend sikkel de man moesten betalen.
Mijn wijngaard houd ik voor mijzelf.
Die duizend sikkel zijn voor u, Salomo,
en tweehonderd zijn voor de pachters.

Hooglied 8:11-12 (WV96)

Soms kom je in een Bijbelgedeelte iets tegen, waarvan je het absoluut niet had verwacht dat het in dat gedeelte zou staan. Neem nou dit stuk, wie had verwacht dat in een boek als Hooglied plotseling inzage wordt gegeven over hoeveel een wijngaard opbrengt. Natuurlijk kun je zeggen dat onze dame hierin geïnteresseerd was, omdat ze vroeger zelf ook in een wijngaard had gewerkt (Hoogl. 1:6). Maar dan nog duizend sikkels of zilverstukken per persoon was een gigantisch kapitaal, dus die wijngaard moest enorm veel opleveren.  En dan in het volgende vers wordt nog een verder hierop ingegaan dat dit bedrag voor Salomo is en dat  200 sikkels voor de pachters. Houdt dit in dat deze pachters slechts een zesde van de opbrengst mochten houden, of anders gezegd dat ze ruim 84% belasting betaalden? Of waren deze pachters meer mensen in dienst bij Salomo en kregen 16% van de opbrengst. Dit laatste lijkt waarschijnlijker.

Maar dan nog moeten deze wijngaarden enorm veel hebben geproduceerd om daarvan te kunnen leven. De naam van de wijngaard “Baäl-Hamon”, wat “heer van de menigte” betekent, is alweer een verwijzing dat er grote hoeveelheden werd geproduceerd en dat het meerdere wijngaarden waren blijkt uit Pred. 2:4 ik plantte mij wijngaarden. De ligging van deze wijngaarden is onbekend. Sommige geleerden stellen voor om “Baäl-Hermon” te lezen i.p.v. “Baal-hamon”, terwijl anderen het willen identificeren met Balamon (Judith viii. 3) en waarmee dan de plaats Jibleam of Bileam, het moderne Bel’ame, wordt bedoeld en welke (nu) een matig vruchtbare vallei is ten zuiden van de grote vlakte van Jizreël. Maar dit alles zijn louter vermoedens.

Komen we terug op de waarde van deze wijngaarden, dan komt meteen een andere Bijbelpassage in gedachten “Op die dag zal elk stuk grond waar duizend wijnstokken staan ter waarde van duizend sjekel zilver, door dorens en distels overwoekerd worden” (Jes. 7:23 NBV). Een wijnstok kostte dus blijkbaar één zilveren sikkel en kan het zo zijn dat dit een aanwijzing is hoe groot de wijngaard(en) van Salomo waren.

Tags: , , ,

Draag mij als een zegel op je hart,
als een zegel op je arm.
Sterk als de dood is de liefde,
beklemmend als het dodenrijk de hartstocht.
De liefde is een vlammend vuur,
een laaiende vlam.

Hooglied 8:6 (NBV)

In onze serie over Hooglied zijn we alweer in het laatste hoofdstuk beland. Ik heb met name uit hoofdstuk 7 flinke stukken overgeslagen en dat zal ook met dit hoofdstuk gebeuren om de simpele reden dat ik hier in het verleden al over heb geschreven of dat de onderwerpen/teksten ook al in eerdere passages voorkwamen.

Van dit en het volgende vers heb ik vorig jaar een muziekfragment behandeld, welke zeer de moeite waard is om nog eens te beluisteren. De tekst zelf geeft in duidelijke bewoordingen hoe groot echte liefde voor elkaar kan zijn. Maar die liefde kan alleen ontstaan als je bereid ben om die in je hart te dragen of zichtbaar als een zegel op je arm. Misschien is het om die reden dat getrouwde mensen tegenwoordig vaak een trouwring dragen met daarop de naam van de partner. De tekst zelf verwijst naar de gewoonte van een henna-tatoeage die met aanbracht op de armen of op de hand tijdens de hennanacht (Op de foto zie je hoe de henna is aangebracht tijdens een Iraans huwelijk). Ik heb als eens overwogen of deze tatoeage te maken heeft met de bruidsschat als losprijs. Maar het moge duidelijk zijn, dat dit soort tatoeages tijdelijk zijn, na verloop van tijd zal deze vervagen, vandaar de opmerking dat je deze zegel ook op je hart moet hebben.

Een tweede opmerking is dat de echte liefde minstens zo sterk is als de dood, met andere woorden hij vergaat niet maar blijft bestaan. De liefde is kostbaarder dan alles wat iemand maar kan bezitten of zoals het in vers 7 staat: “Al gaf iemand al het bezit van zijn huis voor de liefde, men zou hem smadelijk verachten“. Men kan de liefde vergelijken als een onuitblusbaar vuur voor elkaar, de tekst noemt het zelfs “vlammen van de HEERE”. Dat het onuitblusbaar is blijkt uit het feit dat “Vele wateren kunnen de liefde niet uitblussen en rivieren spoelen haar niet weg“. Nu kun je zeggen, dat op de Jordaan na er geen grote rivieren zijn in Israël. Maar dan vergis je je. De grote rivieren die hier worden bedoeld zijn de grote wadi’s in het zuiden, zoals de Paran en de Zin die in de winter enkele honderden meters breed kunnen zijn en alles meesleuren wat zich op hun pad bevind. Zelfs deze rivieren kunnen de liefde niet blussen.

Tags: , , ,

De liefdesappels geven hun geur
en aan onze deuren hangen allerlei kostelijke vruchten,
verse en ook oude.
Mijn Liefste, die heb ik voor U bewaard!

Hooglied 7:13 (HSV)

In Hooglied wordt ook de Alruin (Mandragora Officinarum L., Mandragora autumnalis L.) genoemd en in de meeste weergegeven als “liefdesappels”. Uit dit vers blijkt zonder meer dat de dudaïm, zoals de Hebreeuwse naam is en zoiets als “de liefhebbenden” betekent, een seksuele context heeft. Nu werd deze plant vaker als lustopwekkend beschouwd en een andere passage in de Bijbel waar de plant wordt genoemd, is de ruzie tussen Rachel en Lea, waarbij Rachel smeekt of ze de dudaïm, die Lea’s zoon Ruben gevonden had, mocht hebben. Waarop Lea terug bitst: “Was het niet genoeg dat je mijn man hebt afgenomen? Nu wil je zeker ook de liefdesappels van mijn zoon ook nog stelen?“, waarop Rachel droevig antwoord “Nu zal hij vannacht met jou slapen, vanwege die liefdesappels” (Gen. 30:14-15).

Het probleem is dat hier wordt gesproken over de geur van deze plant, terwijl deze plant nauwelijks ruikt. Om die reden hebben verschillende commentatoren gedacht dat het hier om een andere plant moet gaan. Maar zoals gewoonlijk is enige achtergrondkennis belangrijk want hierbij wordt voorbijgegaan aan het feit dat als de vruchten rijp zijn geworden, ze wel degelijk een aangename ruik verspreiden.

Tags: , ,

je haren hebben een dieprode gloed,
je koning is erin gevangen.

Hooglied 7:5 (7:6 GNB96)

Het zal maar gebeuren dat zo’n bericht in de kranten staat, iedereen denkt dan meestal het ergste. Toch wordt zoiets in bovengenoemde tekst bedoeld. Het woord “gevangen” wordt vaak gebruikt in de context om een gevangene te binden met snoeren en ketenen (Gen. 42:34; Richt. 15:10-13; 16:5-12 ; 2 Kon. 17:4, 23:33, 25:7, 2 Kron. 33:11). Salomo was zo gefascineerd door de betoverende kracht van haar haar, dat hij wordt beschreven als een gebonden gevangene, hij was de gevangene van de liefde en zij was zijn gijzelneemster. Wij zouden tegenwoordig zeggen dat hij is gestrikt in het web van een femme fatale. Ook in Egyptische liefdesliteratuur komen we soortgelijke vergelijkingen tegen “Met haar haren gooit ze een lasso naar me, met haar ogen  vangt ze me, met haar halsketting verstrikt ze mij, en met haar zegelring (brand)merkt ze me” (Lied 43 in de Chester Beatty Cyclus).

Ook in de Bijbel komen we nog een leuke verwijzing tegen naar dit soort vrouwen, het betreft de naam Rebekka. Deze naam is nl. afgeleid van ravka wat “vastbinden (door een touw)” betekent. En dan vooral het stevig vastbinden van dieren, in de oudheid bij semi-nomadische volken was het belangrijk dat de dieren niet wegliepen en het was dan ook een grote zorg dat de dieren (denk dan vooral aan dromedarissen, ezels en paarden) goed verzorgd werden. Een meisje werd dan ook een Rivka genoemd en jongens een Rivk. Het schijnt dat ook tegenwoordig bij sommige Druzen en Arabieren deze betekenis nog in zwang is. Later werd dit ook gebruikt voor vrouwen (“femme fatales”) die door hun schoonheid mannen aan zich bonden.

Tags: ,

Wat kijken jullie naar dit meisje uit Sulem?
Ze is geen Machanaïm-danseres!

Hooglied 6:13 (7:1 GNB96)

Als we Hooglied lezen is het toch wel handig om te weten wie de hoofdpersonages zijn. Dat Salomo een hoofdpersoon is, valt redelijk snel te achterhalen, maar wie is zijn geliefde. Er is geen naam van haar bekend en dat maakt de zoektocht alleen maar spannender.

Qua uiterlijk weten we dat ze zwartachtig (donker) maar liefelijk was (Hoogl. 1:5) van uiterlijk en dat ze een gestalte had als een palmboom (Hoogl. 7:7), wat een indicatie is dat ze langer was dan andere vrouwen. Alle overige beschrijvingen van haar uiterlijk geven weinig extra informatie over wie ze was.

Uit bovengenoemde tekst wordt de suggestie gewekt dat zij uit het stadje Sunem (Sulem, zie de discussie bij dit vers) uit de Jezreel vallei zou komen. Op grond van deze enkele verwijzing denken sommigen dat ze dezelfde is als Abisag, de laatste concubine van Salomo’s vader David (1 Kon. 1:3) en die ook als zeer knap wordt beschreven.

En hoewel de kans zeer groot was dat ze inderdaad, na de dood van koning David, in de harem van Salomo was opgenomen (net als alle andere vrouwen), is de vraag of zij de Sulammitische uit Hooglied was. Want aan de andere kant wordt ze een “prinselijke dochter” genoemd (Hoogl. 7:1) wat suggereert dat deze vrouw niet het Israëlitische plattelandsmeisje is, maar de dochter van de Farao, die Salomo trouwde (1 Kon. 11:1), maar we moeten kritisch blijven: het desbetreffende woord kan ook “nobel van karakter” betekenen. Maar gaan we toch nog even op deze gedachte door, dat ze de dochter van de Farao was, dan zijn er nog een aantal argumenten volgens sommige geleerden. Zo zou ze een Nubische prinses zijn geweest, wat haar donkere huidskleur zou verklaren en haar lengte. Daarnaast zou de vergelijking van haar met een Egyptische strijdwagen een stuk duidelijker zijn.

Maar ondanks deze twee genoemde mogelijkheden, blijft het giswerk, want er wordt verder niets over haar verteld. Als het Abisag was, dan zou dit stellig zijn genoemd, al dan niet in een apocrief werk of andere oude bron. Betreffende de Egyptische prinses, we weten niet eens wie haar vader was, laat staan dat we op die manier te weten zou komen wie zij was.

Tags: ,

Door de wagen van Amminadab herkende ik mezelf niet meer.

Hooglied 6:12 (WV95)

Soms zijn teksten moeilijk te vertalen, omdat we niet precies weten wat er nog mee werd bedoeld. Zo’n tekst is bovenstaande en dat het een lastige tekst is, blijkt uit het feit dat zelfs de NBV er een aantekening bij heeft gezet: “En plotseling voelde ik mij meegevoerd/ als op een wagen van mijn nobel volk – Betekenis van het Hebreeuws onzeker. Ook mogelijk is de vertaling: ‘Zij heeft mij doen rijden op vorstelijke wagens’, of: ‘Door de wagen van Amminadab herkende ik mezelf niet meer’.

De meeste vertalingen hebben dan ook deze tekst vertaald met “vorstelijke wagens”. Maar het is altijd leuk om naar de alternatieve vertaling te kijken zoals de WV95. Volgens verschillende geleerden is de uitdrukking “op de wagen(s) van Ammi Nadib gezet” een oud gezegde, wat zo iets betekent als “met je fantasie aan de haal gaan” of “niet meer van deze wereld zijn”. Nu is dit niet helemaal een slag in de lucht omdat een soortgelijke uitdrukking ook in het Akkadisch voorkomt,  en waarmee wordt aangegeven dat de persoon zijn helderheid, kalmte verliest. In de voorgaande verzen hebben we gelezen dat onze prins nadat hij niet bij zijn geliefde mocht komen, naar zijn landerijen was gegaan en in die context is het begrijpelijk dat hij niet helemaal zijn gedachten erbij had. Dat maakt deze alternatieve vertaling dan ook aantrekkelijk.

Andre LaCocque (Romance, She Wrote: A Hermeneutical Essay on Song of Songs) geeft een andere verklaring en gaat er vanuit dat met Ammi Nadib de persoon Amminadab wordt bedoeld, waar de ark werd gehuisvest toen David deze op een wagen naar Jeruzalem wilde brengen (2 Sam. 6). Hij vergelijkt dan ook de dans die in het volgende vers wordt beschreven (vs. 13), met de vurige dans van David.

Tags: ,

U hebt Mijn hart veroverd, Mijn zuster, Mijn bruid,
u hebt Mijn hart veroverd met één blik van uw ogen,
met één schakel van uw halsketting.

Hooglied 4:9 (HSV)

In hoofdstuk vier komen we bovengenoemde tekst tegen en eigenlijk had ik die al eerder willen behandelen, ware het niet dat ik eerst nog wat meer achtergrondinformatie zocht. Want ik vroeg me af wat werd bedoeld met “één blik van uw ogen“. Het Hebreeuwse woord wat hier met “oog” is vertaald heeft namelijk meerdere betekenissen, het kan bijvoorbeeld ook “bron” betekenen, zoals in de naam En Gedi wat “de bron van de geit” betekent en niet het “oog van de geit”.

Nu was het me opgevallen dat in Sumero-Akkadische literatuur de term “oog” soms verwijst naar de “oog-steen” van een ketting. Agaat-stenen werden gesneden, zodat witte strepen verschenen rond de zwarte of bruine kern en zo leken als de pupil op het oog. Wie iets meer wil weten over het mineraal agaat, verwijs ik naar deze website.

Het is belangrijk om te beseffen dat Hooglied poëzie is met heel veel parallellisme en het kan zijn dat ook in dit vers dit aanwezig is, er zijn verschillende geleerden die dan ook suggereren dat je dit tweede gedeelte daarom moet lezen als “met een juweel van je ketting” en “met een van je oog-stenen“. Als dit zo is, dan is de spreker dus volledig gecharmeerd door de ketting en niet door de blik van de ogen van de geliefde.

Mijn dank is groot voor de webmaster van Bedouin Silver, Nomadic and traditional silver jewelry from the Middle East die waardevolle aanvullingen heeft gegeven.

Tags: ,

« Older entries